Vergelijk aanbiedingen

De geïntegreerde woonbonus

De geïntegreerde woonbonus

De FOD Financiën heeft onlangs via een circulaire extra toelichting gegeven rond de geïntegreerde woonbonus, in Vlaanderen van kracht sinds 1 januari 2016. Ook al bevat de circulaire geen wereldschokkend nieuws, toch kan de tekst een interessant overzicht bieden van hoe bepaalde voorwaarden uit de regelgeving geïnterpreteerd worden.

Voorwaarden
De geïntegreerde woonbonus is van toepassing op hypothecaire kredieten die zijn aangegaan vanaf 1 januari 2016. De belastingvermindering wordt verleend voor de intrest- en kapitaalsaflossingen die tijdens het (aanslag)jaar, waarop de belastingaangifte betrekking heeft, zijn betaald, alsook voor de bijdrages die verbonden zijn aan de schuldsaldoverzekering.

  • Eigen woning

De woning moet tijdens het aanslagjaar de eigen woning van de belastingplichtige zijn geweest. Met andere woorden: indien de eigenaar ondertussen is verhuisd, komt de lening niet langer in aanmerking voor de geïntegreerde woonbonus. Dan valt men terug op het federale langetermijnsparen. We herinneren eraan dat dit in 2016 een cruciale wijziging vormde: vroeger werd de bewoningsvoorwaarde enkel gecontroleerd op 31 december van het ontleningsjaar; nu bekijkt men dit voor elk aanslagjaar waarin de belastingplichtige beroep wil doen op de woonbonus.

Als maar één van beide echtgenoten of partners eigenaar[1] is van de woning, dan kan de andere echtgenoot of partner geen aanspraak maken op de geïntegreerde woonbonus. Dat wordt in de circulaire bevestigd. Er is echter een uitzondering voor het scenario waarbij de inkomsten van de woning volgens het burgerlijk recht gemeenschappelijk zijn. De FOD Financiën aanvaardt dat dit sowieso het geval is bij echtgenoten die samen worden belast en gehuwd zijn volgens het wettelijk huwelijksvermogensstelsel. Weliswaar moet men dan nog steeds aan alle andere voorwaarden voldoen.

  • ‘Enige’ woning geschrapt

Bij de overgang naar de geïntegreerde woonbonus is de vereiste van de ‘enige’ woning geschrapt. De belastingplichtige kan dus evenzeer in aanmerking komen voor een tweede, derde, … woning, zolang het maar gaat om de woning die hij of zij tijdens het (aanslag)jaar heeft bewoond. Het feit dat de belastingplichtige de woning nog niet betrokken zou hebben op 31 december van het ontleningsjaar is sinds januari 2016 alleen nog een probleem voor dat specifieke jaar en betekent niet langer dat men definitief het recht op de woonbonus verliest: van zodra de belastingplichtige de woning betrekt, kan hij of zij vanaf dan voor de betaalde uitgaven aanspraak maken op de geïntegreerde woonbonus, mits aan alle overige wettelijke en reglementaire voorwaarden is voldaan.

  • Hypothecair gewaarborgd krediet

Om in aanmerking te komen moet het krediet logischerwijs hypothecair gewaarborgd zijn. (Het deel van) een lening dat is aangegaan via mandaat blijft buiten beschouwing. Het krediet moet verder een looptijd hebben van ten minste 10 jaar en zijn aangegaan bij een in de Europese Economische Ruimte (EER) gevestigde instelling. De circulaire verduidelijkt hieromtrent verder: ‘In principe kunnen enkel de belastingplichtigen die een hypothecaire lening hebben aangegaan om een woning te verwerven of te behouden aanspraak maken op de geïntegreerde woonbonus. Wanneer een echtgenoot of een wettelijk samenwonende partner vóór het huwelijk of vóór de verklaring van wettelijke samenwoning een hypothecaire lening specifiek heeft aangegaan voor het verwerven of behouden van een woning waarvan hij alleen de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker was, wordt evenwel aanvaard dat de andere echtgenoot of partner ook aanspraak kan maken op de geïntegreerde woonbonus op voorwaarde dat: (1) de woning waarvoor de lening werd gesloten tot de huwelijksgemeenschap behoort of in onverdeeldheid aan beide echtgenoten of wettelijk samenwonende partners toebehoort, (2) de kredietovereenkomst werd aangepast zodat de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner ten opzichte van de kredietverstrekkende instelling dezelfde plichten heeft als de oorspronkelijke kredietnemer en (3) aan alle overige in de wet gestelde voorwaarden is voldaan.’.

Hierbij wordt in de circulaire ter illustratie volgend voorbeeld meegegeven:

Joris ging in 2016 een hypothecaire lening aan voor het verwerven van zijn enige en eigen woning. Op 7 maart 2020 huwt hij met Lien. De woning wordt dan in de huwelijksgemeenschap gebracht. De hypothecaire lening wordt op 27 april 2020 aangepast (Lien wordt als ontlener toegevoegd, waardoor ze dezelfde plichten ten opzichte van de kredietgever heeft als Joris). Lien bezit op 27 april 2020 geen andere woningen. De uitgaven die bij haar in aanmerking komen voor de geïntegreerde woonbonus worden derhalve begrensd tot €2.280.

Tenslotte – opnieuw vanzelfsprekend – moet het krediet tot doel hebben om in een lidstaat van de EER een woning te verwerven of te behouden. Daaronder wordt begrepen:

  • een onroerend goed aankopen
  • een onroerend goed bouwen
  • een onroerend goed volledig of gedeeltelijk vernieuwen[2]
  • de erfbelasting of de schenkbelasting betalen, met uitzondering van de nalatigheidsinteresten verschuldigd bij laattijdige betaling

Verhogingen
Het maximaal aftrekbare basisbedrag voor de geïntegreerde woonbonus bedraagt €1.520 per belastingplichtige (per aanslagjaar). Maar, als de woning op 31 december van het ontleningsjaar de enige woning is van de belastingplichtige, kan hij aanspraak maken op een verhoging van het basisbedrag met €760. De uitgaven die in aanmerking komen voor de geïntegreerde woonbonus worden dan beperkt tot een bedrag van €2.280.

Hier gaat het wel degelijk om een beoordeling op 31 december van het ontleningsjaar! Daarbij wordt wel geen rekening gehouden met een andere woning waarvoor de belastingplichtige door erfenis mede-eigenaar, blote eigenaar of vruchtgebruiker is. Evenmin wordt gekeken naar andere woningen die op 31 december van het ontleningsjaar op de vastgoedmarkt te koop zijn aangeboden en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het ontleningsjaar ook daadwerkelijk zijn verkocht.

De belastingplichtige kan verder aanspraak maken op een bijkomende verhoging van €80 als hij op 1 januari van het jaar dat volgt op het ontleningsjaar 3 of meer kinderen ten laste heeft. Als gehandicapt aangemerkte kinderen worden daarbij voor twee gerekend.

Deze verhogingen kunnen enkel worden toegepast tijdens de eerste 10 aanslagjaren na het ontleningsjaar. Bovendien vervalt het recht om van de verhogingen te genieten op het ogenblik wanneer de belastingplichtige op 31 december van een aanslagjaar (volle) eigenaar[3] is van een andere woning. De verwerving van een naakte eigendom heeft echter geen invloed op de verhoging(en).

Fictiebepaling hypotheekoverdracht met pandwissel
Samen met de geïntegreerde woonbonus werd op 1 januari 2016 een nieuwe fictiebepaling ingevoerd die van toepassing is bij een hypotheekoverdracht met pandwissel. Via de fictiebepaling worden de uitgaven van de oorspronkelijke lening geacht te zijn aangegaan voor het later verworven onroerend goed dat via hypotheekruil als nieuw onderpand dienst doet. Door de fictiebepaling in te roepen zal de hypotheekruil – indien zuiver uitgevoerd – het verder genieten van de woonbonus dus niet verhinderen.

Er zijn wel een aantal voorwaarden waaraan men moet voldoen:

  • de woning waarvoor de hypothecaire lening oorspronkelijk en specifiek is aangegaan (‘woning A’) is bij authentieke akte vervreemd om een andere woning (‘woning B’) te verwerven of te behouden

De fictiebepaling kan logischerwijs pas ten vroegste van toepassing kan zijn vanaf de vervreemding van de woning waarvoor de lening oorspronkelijk werd aangegaan. De vervreemding (van woning A) moet gebeuren om een andere woning (woning B) te verwerven of te behouden. Die vereiste werd voorzien om te garanderen dat de uitgaven nog steeds betrekking hebben op het verwerven of behouden van een woning en niet op een doel dat de woonbonus niet voor ogen heeft (vb. aanleg van een zwembad, …).

  • de hypothecaire inschrijving wordt overgedragen naar een ander onroerend goed
  • de hypothecaire lening blijft behouden

Het is niet vereist dat de belastingplichtige eigenaar is van het onroerend goed waarnaar de hypotheek wordt overgedragen. Het volstaat dat de lening gewaarborgd blijft door een hypothecaire inschrijving.

Indien de hypotheekoverdracht gepaard gaat met een herfinanciering bij een andere kredietgever is er strikt genomen geen hypotheekoverdracht: in dit geval wordt immers een nieuwe hypotheek gevestigd ten voordele van de nieuwe schuldeiser, in plaats van de overdracht van de bestaande inschrijving. De FOD Financiën aanvaardt evenwel dat in dergelijke omstandigheden de fictiebepaling toch kan worden toegepast en dat aldus de vestiging van een hypothecaire inschrijving wordt aanvaard in plaats van de overdracht van een bestaande inschrijving.

=> woning A was de eigen woning alvorens de andere woning B de eigen woning van de belastingplichtige is geworden

Woning A moet de eigen woning zijn geweest alvorens woning B de eigen woning van de belastingplichtige is geworden. De bedoeling van deze fictiebepaling was immers om het verlies van de woonbonus te verhinderen. Vormt echter volgens de FOD Financiën op zich geen belemmering voor de toepassing van de fictiebepaling: (1) het feit dat woning A niet de eigen woning is gebleven tot aan de vervreemding ervan of (2) het feit dat woning B niet onmiddellijk na de vervreemding van woning A werd betrokken.

=> de belastingplichtige houdt de akte van hypotheekoverdracht ter beschikking van de bevoegde federale administratie

In geval van herfinanciering bij een andere instelling moet niet de akte van hypotheekoverdracht, maar de akte van vestiging van de hypotheek ter beschikking worden gehouden.

De belastingplichtige moet daarnaast kunnen aantonen dat aan alle overige voorwaarden is voldaan. Dit bewijs kan hij leveren met alle middelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed.

(Bron: Circulaire nr. 2018/C/51 over de Vlaamse woonfiscaliteit dd. 26 april 2018)


[1] Of bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker.

[2] Hieronder worden begrepen: de handelingen die vallen onder rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven

[3] Of bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker.

Bron: CIB Vlaanderen

img

Olivier De Corte

Vastgoedmakelaar en zaakvoerder, lid van CIB-Vlaanderen

    Gerelateerde berichten

    Verkoop via e-mail

    Net voor het zomerreces viel er vorige week donderdag positief nieuws te rapen in de Kamer...

    Lees verder
    door Olivier De Corte

    VLABEL neemt standpunten in rond hervorming verkooprechten

    De Vlaamse Belastingdienst (VLABEL) blijft met de regelmaat van de klok nieuwe standpunten...

    Lees verder
    door Olivier De Corte

    Belgisch vastgoed ruim drie keer meer waard dan hele economie

    Het Belgisch vastgoed in handen van particulieren is zo’n 1.412 miljard euro waard, berekende...

    Lees verder
    door Olivier De Corte

    Word lid van de discussie

    Translate »